Gemeenteblad van utrecht 1998, nr. 31

 

Verordening toeslagen en verlagingen

Algemene bijstandswet

(raadsbesluit van 29 oktober 1998)

 

De raad der gemeente Utrecht gelet op het voorstel van b. en w. d.d.12 oktober 1998

Besluit

 

vast te stellen de volgende:

Verordening toeslagen en verlagingen Algemene bijstandswet

 

Artikel 1. Begripsomschrijvingen.

 

1.†††††††† In deze verordening wordt verstaan onder:

a.††††††††††† de wet:††††††††††† ††††††††††† ††††††††††† de Algemene bijstandswet;

b.††††††††††† de bijstandsnorm:††††††††††† de bijstandsnorm, zoals bedoeld in artikel 30 van de wet en

c.††††††††††† de gehuwdennorm:††††††††††† de bijstandsnorm voor gehuwden, zoals bedoeld in artikel 30 van de wet en uitgedrukt in percentages.

2.†††††††† De begripsbepalingen van de wet zijn op deze verordening van toepassingtenzij daarvan uitdrukkelijk wordt afgeweken.

 

Artikel 2. Bereik

 

Deze verordening is niet van toepassing op:

1.†††††††† de alleenstaande van 65 jaar of ouder;

2.†††††††† de alleenstaande ouder van 65 jaar of ouder en

3.††††††††††† gehuwden waarvan in ieder geval ťťn van beide echtgenoten 65 jaar of ouder is.

 

Artikel 3. Het verhogen van de bijstandsnorm.

 

1.†††††††† De toeslag op de bijstandsnorm bedraagt:

a.††††††††††† 20% van de gehuwdennorm: voor de alleenstaande van 21 jaar of ouder of de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder met zijn kinderen, in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft;

b.††††††††††† 10% van de gehuwdennorm: voor de alleenstaande van 21 jaar of ouder of de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder, die als verhuurder of kostgever met anderen in dezelfde woning woont en

c.††††††††††† 20% van de gehuwdennorm: voor de alleenstaande van 21 jaar of ouder, of de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder, die op basis van een commerciŽle relatie als kostganger of onderhuurder een gedeelte van een woning bewoont, waarin ook een ander woont.

2.†††††††† In tegenstelling tot het bepaalde in het eerste lid ontvangt de alleenstaande of alleenstaande ouder, die een woning bewoont waaraan geen kosten zijn verbonden of waarvan hij de kosten niet kan aantonen, geen toeslag.

3.†††††††† Een commerciŽle relatie zoals bedoeld in het eerste lid kan niet bestaan tussen ouders en kinderen die beiden hun hoofdverblijf in ťťn woning hebben. Het inwonende kind of de inwonende ouder ontvangt in dat geval geen toeslag.


Artikel 4. Het verlagen van de bijstandsnorm en/of de toeslag.

 

1.†††††††† De verlaging van de bijstandsnorm bedraagt 10% van de gehuwdennorm: voor de gehuwden, die als verhuurders of kostgevers met anderen in dezelfde woning wonen.

2.†††††††† In tegenstelling tot het bepaalde in het eerste lid, wordt de gehuwdennorm met 20% verlaagd wanneer de gehuwden een woning bewonen, waaraan geen kosten zijn verbonden of waarvan zij de kosten niet kunnen aantonen.

3.†††††††† Een commerciŽle relatie, zoals bedoeld in het eerste lid kan niet bestaan tussen ouders en kinderen die beiden hun hoofdverblijf in ťťn woning hebben. De gehuwdennorm van het gehuwde inwonende kind of de gehuwde inwonende ouder wordt in dat geval verlaagd met 20%.

4.†††††††† De toeslag, zoals bedoeld in artikel 3 wordt verlaagd met een bedrag gelijk aan 15% van de gehuwdennorm indien de belanghebbende een alleenstaande en 21 of 22 jaar oud is.

 

Artikel 5. Hulpbehoevendheid

 

Anders dan in artikel 4 van deze verordening, wordt de toeslag of de bijstandsnorm niet verlaagd wanneer de inwoning noodzakelijk is vanwege hulpbehoevendheid van de inwonende of de hoofdbewoner.

 

Artikel 6. Daklozentoeslag

 

Aan personen zonder vaste woon- of verblijfplaats wordt een toeslag verleend van 5% van de gehuwdennorm.

 

Artikel 7. Anti-cumulatiebepaling

 

De voor de belanghebbende toepasbare bijstandsnorm wordt niet lager vastgesteld, dan de toepasbare bijstandsnorm genoemd in artikel 30 onder a en b van de wet.

 

Artikel 8. Citeertitel

 

Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening toeslagen en verlagingen Algemene bijstandswet.

 

Artikel 9. Inwerkingtreding

 

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1999.

 

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 29 oktober 1998.

 

De secretaris,††††††††††† De burgemeester,

 

drs A. Vermeulen††††††††††† mr I.W. Opstelten

 

 

Publicatie is geschied op 18 november 1998.


Deze verordening is in werking getreden op 1 januari 1999.

 

Bijlage behorend bij Gemeenteblad van Utrecht 1998, nr. 31

 

Toelichting

 

Deze verordening komt in grote lijnen overeen met de verordening uit 1996.

Het gemeentelijk toeslagenbeleid is op kleine punten gewijzigd, zie met name het gedeelte onder Utrechtse toeslagen en verlagingen vanaf 1 januari 1999.

 

Bijstandsnormen

 

De Abw kent een normensystematiek die bestaat uit een rijksbijstandsnorm en een gemeentelijke toeslag. Voor personen van 21 jaar en ouder zijn er drie bijstandsnormen voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze bijstandsnormen zijn gebaseerd op de leefvorm van de cliŽnt en uitgedrukt in percentages van het netto minimumloon. De bijstandsnormen uitgedrukt in percentages zijn:

-†††††††††† voor gehuwden††††††††††† ††††††††††† 100%;

-†††††††††† voor alleenstaande ouders††††††††††† 70%;

-†††††††††† voor alleenstaanden††††††††††† 50%.

 

Alleenstaande en alleenstaande ouder

De bijstandsnorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder wordt in bepaalde gevallen verhoogd met een gemeentelijke toeslag. De bijstandsnorm en de toeslag kunnen worden verlaagd in vier situaties die in de wet zijn opgesomd.

 

Personen die ouder zijn dan 65 jaar

Personen die ouder zijn dan 65 jaar (65-plussers), ontvangen sinds 1 april 1998 een hogere bijstandsuitkering dan andere bijstandsgerechtigden, de zogenaamde ouderennorm. De (hoge) ouderennorm kan niet worden verhoogd met een toeslag of verminderd worden met een verlaging. Inkomsten uit (onder)huur kunnen wel worden gekort op de uitkering.

 

Jongeren

De bijstandsnormen voor jongeren van 18 tot 21 jaar zijn wettelijk vastgelegd in de Abw en zijn gelijk aan de hoogte van de kinderbijslag. De gemeente heeft niet de bevoegdheid deze normen te verhogen met een gemeentelijke toeslag. Omdat deze normen laag zijn, geeft de gemeente in bepaalde gevallen een aanvullende toelage. Dit is bijzondere bijstand en is vastgelegd in de Richtlijnen Bijzondere Bijstand Utrecht.

 

Toeslagen en verlagingen

 

Vanuit het oogpunt van efficiŽntie en overzichtelijkheid beperkt het toeslagenbeleid zich tot een eenvoudige en heldere gemeentelijke regelgeving.

 

Doelstellingen van het gemeentelijk toeslagenbeleid

Het gemeentelijk toeslagenbeleid streeft het volgende na:

-††††††††††† overzicht en duidelijkheid voor cliŽnten;

-††††††††††† vereenvoudiging van de uitvoeringsorganisatie en

-††††††††††† realisatie van de financiŽle taakstelling.


Algemeen

De bijstandsnorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder wordt verhoogd met een toeslag, als sprake is van hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Bij de vaststelling van de normen voor de alleenstaande en alleenstaande ouder van 21 jaar en ouder gaat de wetgever ervan uit dat zij de kosten van het bestaan met een ander kunnen delen. Is dit niet het geval, dan verstrekt de gemeente een toeslag.

Deze toeslag bedraagt maximaal 20% van de gehuwdennorm. Er bestaat recht op deze maximale toeslag van 20%, als niemand anders zijn hoofdverblijf heeft in de woning, waar de alleenstaande of alleenstaande ouder verblijft.

Als de cliŽnt de woning bewoont met meer huurders, onderhuurders of kostgangers, worden de daaruit voortvloeiende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan als inkomen aangemerkt. Wanneer er meer dan drie onderhuurders in de woning verblijven, kan volgens vaste jurisprudentie en afhankelijk van de omstandigheden van het geval, bijstand worden geweigerd.

 

Verlagingen: de wettelijke bepalingen

Naast het ontwikkelen van beleid voor het verlenen van toeslagen moet een gemeente vier keuzes maken met betrekking tot verlagingen op de bijstandsnorm of toeslag. Per gemeente kunnen deze keuzes verschillen. De gemeente Utrecht heeft optie 1, 2 en 4 verwerkt in haar beleid. Optie 3

wordt in Utrecht niet gebruikt (zie hiervoor het gedeelte Utrechtse toeslagen en verlagingen vanaf 1 januari 1996).

 

De wet biedt vier keuzemogelijkheden:

1.†††††††† de bijstandsnorm voor gehuwden (behalve voor ouderen) kan worden verlaagd. Dit is het geval als de gehuwden niet alleen in een woning wonen, bijvoorbeeld omdat zij een kamer verhuren, inwonende kinderen met een eigen inkomen hebben of zelf inwonen bij anderen. Het gezin kan de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan delen met de onderhuurder, het inwonende kind of de personen, bij wie het inwoont;

2.†††††††† een gemeente kan de bijstandsnorm voor gehuwden verlagen of de toeslag voor de alleen-staande of alleenstaande ouder lager vaststellen, indien men geen woonkosten heeft;

3.†††††††† een gemeente kan de bijstandsnorm voor gehuwden verlagen of de toeslag voor de alleen-staande of alleenstaande ouder lager vaststellen, als iemand als schoolverlater wordt aangemerkt en

4.†††††††† een gemeente kan de toeslag voor de 21- of 22-jarige alleenstaande lager vaststellen, indien - gelet op de hoogte van het minimumjeugdloon - de hoogte van de toeslag een belemmering kan vormen voor het aanvaarden van arbeid.

 

De verlaging wegens bewonen van een woning waaraan geen kosten zijn verbonden (art. 35) en die voor schoolverlaters (art. 36) vinden met voorrang plaats op de gemeentelijke toeslag. Als de verlaging hoger is dan de in eerste instantie berekende toeslag, kan het restant van de verlaging worden toegepast op de bijstandsnorm. Een uitzondering hierop vormen de gehuwden. Zij ontvan-gen geen toeslag; bij hen wordt de bijstandsnorm verlaagd.

 

Utrechtse toeslagen en verlagingen vanaf 1 januari 1996

 

De tekst van de verordening spreekt voor zich. Hieronder worden enkele begrippen nader toegelicht.


Inwonende kinderen en ouders

Er wordt van uitgegaan dat er tussen ouders en kinderen die in hetzelfde huis wonen, geen commerciŽle relatie bestaat. Het inwonen van kinderen of ouders levert daardoor geen verlaging op van de bijstandsnorm en/of de toeslag.

Voor alle duidelijkheid: degene die inwoont ontvangt geen toeslag of de norm wordt verlaagd. Dit houdt in dat de norm van degene die als hoofdbewoner wordt aangemerkt, in stand blijft.

Hoofdbewoner is de persoon die hoofdhuurder is en dus een huurrelatie heeft met de verhuurder. Wanneer het een eigen woning betreft is de formele eigenaar de hoofdbewoner.

Een voorbeeld:††††††††††† Kind A woont in bij ouders B. De ouders ontvangen een gehuwdennorm van 100%. Kind A ontvangt een norm van 50% zonder toeslag.

Andersom:††††††††††† Ouders B wonen in bij kind A. De ouders ontvangen een gehuwdennorm van 100% minus een verlaging van 20%. Kind A ontvangt een norm van 50% met toeslag van 20%.

Tijdelijke afwezigheid van ťťn van beide echtgenoten - bijvoorbeeld wegens detentie - verandert niets aan deze situatie.

Het begrip commerciŽle relatie slaat op de verhouding tussen personen die in ťťn huis wonen. Wanneer vader en zoon niet in hetzelfde huis wonen, kan wel een commerciŽle relatie tussen beiden bestaan.

 

21- of 22-jarige alleenstaanden

Bij de alleenstaande van 21 of 22 jaar kan de toeslag worden verlaagd. De verlaging heeft als doel werkaanvaarding te stimuleren.

Voor alleenstaanden van 21 en 22 jaar wordt de toeslag met 15% verlaagd. Door deze verlaging komt er voldoende afstand tussen uitkering en betaalde arbeid, zodat werkaanvaarding wordt gestimuleerd.

Schoolverlaters

De schoolverlatersregeling is komen te vervallen. De gemeente heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om norm en toeslag te verlagen. Schoolverlaters komen nu gewoon in aanmerking voor de bijstandsnorm en een toeslag.

 

Bijstandsnorm als ondergrens (anti-cumulatie)

Het toeslagenbeleid is zodanig dat bijstandsgerechtigden boven de 21 jaar in elk geval een bijstandsnorm op het landelijk vastgestelde niveau ontvangen (50 %).

 

Aantoonplicht: de commerciŽle relatie

De cliŽnt moet aantonen dat er sprake is van een commerciŽle relatie met de verhuurder of degene aan wie hij anderszins woonkosten verschuldigd is. Daarvoor moet hij een (deugdelijk) huurbewijs en betalingsbewijzen overleggen. Met deze aanpak wordt getracht onterecht gebruik van de bij-stand tegen te gaan. De cliŽnt is verplicht om zelf het recht op bijstand aan te tonen.

 

Deugdelijk huurbewijs

Met een deugdelijk huurbewijs wordt een document bedoeld (bijvoorbeeld het modelhuurcontract van de Consumentenbond), waaruit kan worden opgemaakt:

-†††††††††† wie de verhuurder is (naam en adres);

-†††††††††† wie de huurder is (naam en adres);

-††††††††††† wanneer de huurperiode is aangevangen;

-†††††††††† wat het maandelijkse huurbedrag is en


-†††††††††† op welke datum het document is ondertekend en door wie.

 

Uitgangspunt bij de behandeling van de hoofdlijnennotitie door de gemeenteraad in 1995 is geweest, dat altijd gevraagd wordt naar een huurbewijs en betalingsbewijzen om de kans op fraude zo klein mogelijk te maken. Een betalingsbewijs is in ieder geval altijd noodzakelijk. Betalingsbewijzen zijn bank- en giroafschriften. De belanghebbende kan ook met kwitanties aantonen dat hij huur betaalt, hoewel bankafschriften de voorkeur verdienen.

 

Woonkosten

Een toeslag wordt verstrekt als de belanghebbende aantoonbare kosten heeft die verband houden met het bewonen van een woning.

De bijstandswet kent geen definitie van het begrip woonkosten. Hiervoor kan worden aangesloten bij de oude wet en de daarop gebaseerde jurisprudentie.

Woonkosten worden door ons gedefinieerd als kosten die uit het wonen voortvloeien, zoals huur of zakelijke lasten als het een koopwoning betreft.

Wat onder woonkosten wordt verstaan, moet individueel worden bepaald.

Richtinggevend daarbij is:

-†††††††††† dat het feit dat een woning wordt gehuurd, waarvoor wel huur verschuldigd is, maar niet wordt betaald, niet mag leiden tot de conclusie dat woonkosten ontbreken: de feitelijke situatie is doorslaggevend;

-†††††††††† dat ook de hoogte van de huur voor SoZaWe niet relevant is voor beantwoording van de vraag of sprake is van woonkosten. Bruikleenovereenkomsten kunnen ook woonkosten met zich meebrengen en

-†††††††††† dat woonkosten zich niet beperken tot alleen de huur. Woonkosten kunnen derhalve kosten zijn die verband houden met het bewonen van een onbewoonbaar verklaarde woning (de huurprijs van een onbewoonbaar verklaarde woning bedraagt volgens de Huurprijzenwet fl.20,- per maand).

 

Utrechtse toeslagen en verlagingen vanaf 1 januari 1999

 

Ouderennorm

Personen die ouder zijn dan 65 jaar (65-plussers), ontvangen sinds 1 april 1998 een hogere bijstandsuitkering dan andere bijstandsgerechtigden, de zogenaamde ouderennorm. De (hoge) ouderennorm kan niet worden verhoogd met een toeslag of verminderd worden met een verla-ging. Het kabinet achtte deze maatregel noodzakelijk in het kader van de armoedeproblematiek onder met name oudere bijstandsgerechtigden.

De gemeente is bij wet (Staatsblad 791, 1997) verplicht om deze bepaling in de verordening op te nemen om te voorkomen dat de ouderen alsnog met verlaging van hun bijstandsnorm worden geconfronteerd.

 

Daklozentoeslag

Dak- en thuislozen komen over het algemeen niet in aanmerking voor een toeslag op grond van hun woonkosten. Hierdoor zijn zij aangewezen op de landelijke norm van 50 % (voor alleenstaanden).


De kosten die zij incidenteel maken in verband met de overnachting (nachtopvang via een instelling of een hotel) komen via deze verordening alsnog voor een Utrechtse toeslag in aanmerking. De meeste daklozen hebben kosten die niet direct verband houden met overnachting (kosten voor een slaapzak bijvoorbeeld). Deze kosten kunnen ook niet altijd eenvoudig worden aangetoond doordat niet altijd bonnetjes worden ontvangen in het daklozencircuit. Aangenomen wordt dat daklozen kosten maken in verband met nachtopvang.

 

In sommige gevallen betaalt de gemeente de bijstand rechtstreeks aan de opvanginstellingen. Hierover zijn afspraken met deze instellingen gemaakt.

 

Deze regeling geldt niet voor verblijfskosten in Blijf-van-mijn-lijf-huizen (aangemerkt als zelfstandige bewoning) en begeleide kamerprojecten, waar weer sprake is van een zekere bestendigheid in het wonen.

Voorheen maakte deze regeling deel uit van de Richtlijnen Bijzondere Bijstand Utrecht van 1996. Door opname in deze verordening wordt de toeslag algemene bijstand en komt dus voor Rijksvergoeding in aanmerking.

 

Hulpbehoevendheid

 

Algemeen

In de notitie ďAnders actief, Sociale activering in UtrechtĒ van februari 1997, heeft de gemeente het belang onderkend van mantelzorg. Mantelzorg wordt beschouwd als een private vorm van vrijwilligerswerk.

Onder mantelzorg wordt verstaan de hulp- of zorgverlening aan zelfstandig wonende ouderen, zieken of gehandicapten door ďnaastenĒ (buren, familieleden of kennissen). De gemeente heeft in de notitie aangegeven mantelzorg actief te willen ondersteunen.

 

Toeslagen

Wanneer de inwoning noodzakelijk is vanwege hulpbehoevendheid van de inwonende of de hoofdbewoner, dan kan bij wijze van uitzondering toch een toeslag van 20% worden verstrekt. In veel gevallen gaat het om kinderen die zelfstandig wonen en (tijdelijk) bij een ouder intrekken om deze te verzorgen.

De inwonende kinderen (of ouders) houden bijna altijd de eigen woning aan, zodat de domicilie meestal niet verandert.

De verzorging heeft meestal een tijdelijk karakter. Wanneer de verzorging langer duurt dan is voorzien en er eigenlijk van tijdelijkheid geen sprake meer is, dan is het som aan te bevelen adequate beroepsmatige hulpverlening in te schakelen.

 

Wettelijke anti-cumulatie

Het kabinet achtte het wenselijk dat cumulatie van verlagingen op grond van artikel 36 en 37 Abw wordt tegengegaan. Het gaat dan om verlaging van bijstandsnorm en/of toeslag wanneer de belanghebbende alleenstaand en 21/22 jaar is en tevens als schoolverlater wordt aangemerkt. Samenloop van keuze 3 en 4 van de verlagingsmogelijkheden (zie boven: Verlagingen).

Een dergelijke anti-cumulatie is wettelijk verplicht sinds 1 april 1998, maar is in het Utrechtse beleid overbodig omdat Utrecht al sinds 1 januari 1996 geen verlaging van de bijstandsnorm en/of toeslag meer toepast bij schoolverlaters.